Door: Luca van Antwerpen
Ben je BOA domein I en vraag je je af wat de Wet veilige jaarwisseling voor jouw werkzaamheden betekent? In deze blog worden de belangrijkste veranderingen toegelicht.
1. De Wet veilige jaarwisseling
Per 1 augustus 2026 is de Wet veilige jaarwisseling inwerking getreden.[1] Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer, de Wet op de economische delicten en het Vuurwerkbesluit.
Een van de veranderingen is de plaats van het algemeen vuurwerkverbod. Dat stond voorheen in artikel 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit, maar tegenwoordig staat dat in artikel 9.2.2.1a van de Wet milieubeheer. Dat artikel luidt:
|
1.1 Bezit en gebruik
In de oude situatie was het verboden om consumentenvuurwerk buiten de toegestane tijden af te steken. In de nieuwe situatie is het bezit[2] en het gebruik van vuurwerk van de categorieën F2 en F3 verboden voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis.
Onder bezit wordt het gebruikelijke verstaan zoals in het dagelijks taalgebruik. Het bezitten, waaronder ook het voorhanden hebben wordt verstaan, is strafbaar.
Ook wordt er niet meer gesproken over het afsteken van vuurwerk, maar over het gebruiken van vuurwerk. In de praktijk komt dat op hetzelfde neer.
Als er strafrechtelijk gehandhaafd wordt dan zullen de volgende bestanddelen van de delictsomschrijving uit het proces-verbaal moeten blijken:
- Bezitten / gebruiken van,
- Vuurwerk van de categorie F2 en/of F3,
- Is verboden voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis.
Bijvoorbeeld:
|
“Op zaterdag 10 oktober 2026 omstreeks 20:30 uur bevond ik mij binnen de bebouwde kom op de openbare weg de Langestraat in Amersfoort (gemeente Amersfoort). Ik was gekleed in een herkenbaar uniform voorzien van BOA logo’s zodat ik herkenbaar was als buitengewoon opsporingsambtenaar. Daar en toen zag ik een persoon die zich later identificeerde als Luca van Antwerpen. Ik zal hem vanaf nu Luca noemen. Ik zag dat Luca een klein rond voorwerp in zijn handen vasthield. Ik zag dat het voorwerp voorzien was van een vast verbonden stok en een lont. Ik zag dat Luca de stok in een rechtopstaande glazen fles plaatste. Ik zag vervolgens dat Luca met een aansteker de lont aanstak, waarna het voorwerp, dat voorzien was van een vast verbonden stok, opsteeg in de lucht. Toen het voorwerp in de lucht was hoorde ik een knal. Hieruit maakte ik op dat er sprake was van een vuurpijl, waarvan het mij ambtshalve bekend is dat dat vuurwerk is dat ingedeeld is in categorie F2. Desgevraagd hoorde ik Luca mij vertellen dat hij geen ontheffing van de burgemeester had en dat hij ook geen persoon was met gespecialiseerde kennis. Uit bovenstaande bevindingen bleek mij dat Luca vuurwerk van categorie F2 gebruikte, terwijl hij geen persoon met gespecialiseerde kennis was, hetgeen verboden is volgens artikel 9.2.2.1a, eerste lid van de Wet milieubeheer juncto artikel 1a, aanhef, onder 1 van de Wet op de economische delicten. Derhalve hield ik Luca als verdachte staande en zegde hem een proces-verbaal aan.” |
1.2 De ontheffing
Volgens artikel 9.2.2.1a, eerste lid van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het bezit en gebruik van vuurwerk van de categorieën F2 en F3 verboden voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis. In het vierde lid is aangegeven dat de burgemeester een ontheffing kan verlenen. De uitzondering luidt:
“De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden ten behoeve van het tijdens de jaarwisseling tot ontbranding brengen van vuurwerk van categorie F2 dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangewezen.”
Belangrijk is dat bezit en gebruik van vuurwerk categorie F3 ook verboden is voor ontheffinghouders. Zij mogen uitsluitend gebruik maken van vuurwerk dat ingedeeld is in categorie F2 en is aangewezen in de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk.
Daarnaast is het op grond van het tweede lid verboden om vuurwerk van de categorieën F2 en F3 te verkopen aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis. Op 29, 30 en 31 december geldt er een uitzondering van het verkoopverbod voor personen die een ontheffing hebben gekregen van de burgemeester.
In de uitzonderingsbepaling is er sprake van een zogenoemde ‘kan-bepaling’. Dit houdt in dat de burgemeester beleidsvrijheid heeft om te bepalen om een ontheffing wel of niet te verlenen.
Als de burgemeester een ontheffing verleent, dan moeten er voorschriften aan de ontheffing verbonden worden. Die verplichte voorschriften zijn uitgewerkt in artikel 2.3.2a van het Vuurwerkbesluit. Deze worden niet verder uitgewerkt in deze blog.
De bestuursrechtelijke controle en handhaving gebeurt door toezichthouders. Dat kunnen toezichthouders van de gemeente of de omgevingsdienst zijn, maar ook BOA’s en politieagenten[3] kunnen als toezichthouder aangewezen worden.
1.3 Personen met gespecialiseerde kennis
In de wettelijke delictsomschrijving wordt gesproken over personen met gespecialiseerde kennis. In artikel 1.1.2a van het Vuurwerkbesluit worden de volgende personen aangewezen:
- Personen met een omgevingsvergunning voor het opslaan, her- verpakken en bewerken van pyrotechnische artikelen als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving,
- De vergunninghouder voor het tot ontbranding brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik,
- Politiemedewerkers in de uitoefening van hun functie,
- Brandweermedewerkers in de uitoefening van hun functie,
- Personen die in de uitoefening van hun functie vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengen bij een instelling die de genoemde producten bedrijfsmatig en uitsluitend ten behoeve van onderzoek tot ontbranding brengt,
- Medewerkers van de krijgsmacht in de uitoefening van hun functie.
Volgens het tweede lid worden personen die in een ander Europees land aangewezen zijn als persoon met gespecialiseerde kennis, in Nederland ook aangewezen als een persoon met gespecialiseerde kennis.
1.4 Strafbaarstelling en WED-bevoegdheden
In artikel 1a, aanhef, onder 1 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) is bepaald dat:
“Economische delicten zijn eveneens overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, artikel 9.2.2.1a”
In artikel 2, eerste lid van de WED is bepaald dat het opzettelijk handelen in strijd met artikel 9.2.2.1a van de WM een misdrijf is. Als er geen sprake is van opzet, dan is er sprake van een overtreding.
Volgens artikel 6, eerste lid van de WED wordt een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, onder 1, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of met een geldboete van de vijfde categorie.
Als er sprake is van een economisch delict, dan mogen opsporingsambtenaren gebruik maken van de bevoegdheden die in de WED staan. Als een opsporingsambtenaar een aanwijzing heeft dat een economisch voorschrift niet is nageleefd, dan brengt het belang van de opsporing mee dat er nader onderzoek wordt gedaan en mogen de bevoegdheden uit de WED gebruikt worden.[4]
Zo zijn opsporingsambtenaren op grond van artikel 23, zesde lid van de WED bevoegd om in het belang van de opsporing de zaken te controleren die een persoon met zich meevoert.
Als een opsporingsambtenaar een aanwijzing heeft dat een persoon vuurwerk van categorie F2 en/of F3 bezit, terwijl die geen ontheffing van de burgemeester heeft of geen persoon is met gespecialiseerde kennis, dan mag die opsporingsambtenaar bijvoorbeeld in de tas van die persoon kijken.
Als er dan vuurwerk van categorie F2 en/of F3 aangetroffen wordt, dan kan de opsporingsambtenaar die in beslag nemen.
Als er sprake is van inbeslagneming, hou dan altijd rekening met het volgende:
- Geef altijd een schriftelijk bewijs van ontvangst.
- Vraag altijd of de verdachte vrijwillig en schriftelijk afstand doet van de inbeslaggenomen goederen.
- Als de verdachte schriftelijk afstand gedaan heeft, dan mag de hulpofficier van justitie bepalen wat er met het inbeslaggenomen goed moet gebeuren.
- Als de verdachte niet schriftelijk afstand gedaan heeft, dan mag alleen de officier van justitie bepalen wat er moet gebeuren met het inbeslaggenomen goed.
- Maak altijd een kennisgeving van inbeslagname op.
- Handel het beslag af overeenkomstig de lokaal gemaakte afspraken.
2. Controle & handhaving
2.1 Bestuursrechtelijk
De burgemeester is het bevoegd gezag als het gaat om de controle en bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften voor ontheffinghouders. Zoals hierboven al benoemd was, kan de burgemeester toezichthouders aanwijzen om toezicht te houden op de naleving van de voorschriften die verbonden zijn aan de ontheffing.
Een toezichthouder mag op grond van de Algemene wet bestuursrecht diverse toezichtsbevoegdheden gebruiken voor zover dat redelijkerwijs voor de uitoefening van zijn taak nodig is, bijvoorbeeld:
- Het betreden van plaatsen, met uitzondering van de woning zonder toestemming van de bewoner,
- De inzage vorderen van gegevens/bescheiden,
- Het onderzoeken van zaken en het openen van verpakkingen.
Als er door een toezichthouder geconstateerd wordt dat er gehandeld is in strijd met de voorschriften van een ontheffing, dan kan die een rapport opmaken. Op grond van het rapport van de toezichthouder kan de burgemeester bestuursrechtelijke herstelsancties opleggen, bijvoorbeeld:
- Een last onder dwangsom
- Een last onder bestuursdwang
- Het geheel of gedeeltelijk intrekken van de verleende ontheffing.
Het is niet mogelijk om een bestuurlijke boete op te leggen.
2.2 Strafrechtelijk
Zoals hierboven al benoemd is: overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1a van de WM zijn economische delicten. Er zijn drie verschillende typen strafrechtelijke onderzoeken die onderscheiden kunnen worden met betrekking tot het algemeen vuurwerkverbod.
- De handel in illegaal vuurwerk,
- Het invoeren van illegaal vuurwerk en
- Het bezit en gebruik van illegaal vuurwerk.
Voor de BOA is situatie 3 relevant, de overige situaties worden niet verder besproken in deze blog.
Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven nieuwe feitcodes open te gaan zetten voor het handhaven op het algemeen vuurwerkverbod. Ten tijde van het publiceren van deze kennisblog zijn de feitcodes nog niet opengesteld. Wanneer die feitcodes opengesteld worden kan er strafrechtelijk gehandhaafd worden middels die feitcodes.
Er kan geen gebruik worden gemaakt van feitcode H171 in combinatie met artikel 9.2.2.1a van de WM. Deze zaken worden geseponeerd, omdat de wettelijke grondslag niet overeenkomt met het artikel dat aan deze feitcode is gekoppeld. Zodra de nieuwe feitcode bekend is, zullen we hierover bericht doen.
Als er geconstateerd wordt dat een ontheffinghouder in strijd gehandeld heeft met voorschriften van de ontheffing, dan kan er proces-verbaal opgemaakt worden. Het proces-verbaal kan dan ingestuurd worden naar het arrondissementsparket van het Openbaar Ministerie.
2.3 Halt
In een brief van het Ministerie van J&V heeft de Minister aangegeven dat vanaf 1 juni 2026 BOA’s uit domein I (openbare ruimte) voor meer strafbare feiten dan voorheen een minderjarige een reprimande mogen geven of naar Halt mogen doorverwijzen.[5]
Om welke feiten het gaat wordt in de brief niet vermeld. Ongeacht de brief van de Minister, dienen opsporingsambtenaren die een Halt-afdoening mogen voorstellen, aangewezen te worden door de officier van justitie. In het verleden heeft het college van procureurs-generaal in een brief bepaald dat BOA’s domein I een Halt-afdoening mochten voorstellen voor de volgende feiten:
- Alcohol voorhanden hebben,
- Openbare dronkenschap,
- Vuurwerk afsteken buiten toegestane tijden.
Overige bevoegdheden dienden door middel van een projectmatige aanpak te worden geregeld, waarbij goedkeuring van de gemeentelijke driehoek vereist was. Om die onduidelijkheid weg te nemen is het Openbaar Ministerie gevraagd om het nieuwe aanwijzingsbesluit openbaar te maken.
Verder had het Openbaar Ministerie verzocht om het Besluit-aanwijzing halt-feiten aan te passen, zodat minderjarige verdachten een Halt-afdoening kunnen krijgen wanneer zij het algemeen vuurwerkverbod overtreden. Die aanpassing is echter nog niet uitgevoerd. Maar op grond van artikel 5 van het Besluit aanwijzing Halt-feiten kan (met inachtneming van uitzonderlijke omstandigheden van het geval en na verleende toestemming van de officier van justitie) een Halt-afdoening alsnog aangeboden worden.
2.4 Standpunt Openbaar Ministerie: toegevoegde waarde BOA’s
In een Handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat de Wet veilige jaarwisseling in principe uitvoerbaar is, maar wel met inachtneming van enkele opmerkingen.
Zo heeft het Openbaar Ministerie onder andere opgemerkt dat de politie de afgelopen jaren tijdens de jaarwisseling maximaal ingezet was voor het handhaven van de openbare orde. Zij acht het wenselijk dat ook BOA’s kunnen controleren en handhaven op het bezit en gebruiken van kleinere hoeveelheden consumentenvuurwerk op straat.
Volgens het Openbaar Ministerie is het meest efficiënte dat het vuurwerk onmiddellijk inbeslaggenomen wordt en er een strafbeschikking uitgevaardigd wordt. Volgens het Openbaar Ministerie hebben BOA’s alleen een toegevoegde waarde als zij volledig zelfstandig kunnen opereren zonder een beroep te doen op de politie. Volgens het Openbaar Ministerie moeten BOA’s daarom opgeleid en uitgerust worden om zelfstandig in beslag genomen vuurwerk te kunnen vervoeren naar een verzamelpunt.
2.5 Vuurwerkregels in de APV
Veel Algemene plaatselijke verordeningen (hierna: APV’s) bevatten regels ter bestrijding van vuurwerkoverlast. Dat is niet meer mogelijk vanaf 1 augustus 2026. Dat heeft te maken met de conflictregel ‘lex superior derogat legi inferiori’ (de hogere wet gaat voor de lagere wet). De WM bevat nu een algemeen vuurwerkverbod. Omdat de Algemene plaatselijke verordening een lagere regeling is, dienen de vuurwerkoverlastregels eruit geschrapt te worden voor zover die in strijd zijn met de WM. De regels voor het carbidschieten mogen wel in de APV blijven.
3. Rol van de BOA
In het handhavingsplan jaarwisseling van het Ministerie van J&V (versie maart 2026) staat dat de inzet van BOA’s gericht blijft op preventie, toezicht en het beperken van overlast in de openbare ruimte.
Daarbij benadrukte het Ministerie dat hoewel het toezicht en de handhaving op ontheffingen van belang is, tegelijkertijd het uitgangspunt is dat BOA’s niet worden ingezet in situaties met een hoge mate van gevaarzetting. In situaties waarin de openbare orde in het geding is, hebben BOA’s sowieso geen rol tijdens de jaarwisseling. Die situaties blijven de verantwoordelijkheid van de politie.
4. Opsporingsbevoegdheid BOA domein I
Op verzoek van het college van procureurs-generaal is de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar aangepast.[6] Per 9 september 2026 zijn BOA’s domein I opsporingsbevoegd voor het landelijke vuurwerkverbod van artikel 9.2.2.1a van de WM.[7]
[1] Staatsblad 2026, 169
[2] Door kamerleden is gevraagd waarom er gekozen is voor het woord “bezit” in plaats van “voorhanden hebben” en wat de consequenties daarvan zijn. De Minister heeft toegelicht dat hij aansluiting zocht bij de Pyrotechnische richtlijn en daarom koos voor het woord “bezit”. Bron: Handelingen I, 2024/25, nr. 35, item 5, p. 1
[3] In een uitvoeringstoets Wet veilige jaarwisseling (kamerstukken I 2025/26, 35386, nr. K, p. 14) heeft de politie aangegeven dat zij geen rol ziet voor zichzelf bij de handhaving en toezicht op vuurwerkevenementen door verenigingen die conform het Vuurwerkbesluit een ontheffing hebben gekregen.
[4] Kamerstukken II 1968/69, 9608, nr. 5, p. 2
[5] In de brief wordt expliciet gesproken over de BOA domein I (openbare ruimte). Of ook BOA’s domein II (Milieu, Welzijn en Infrastructuur) ook aangewezen zijn, is niet bekend.
[6] Staatscourant 2026, 31362
[7] BOA’s domein II zijn bevoegd voor wettelijke voorschriften, wetten en EU-verordeningen die genoemd worden in de artikelen 1 en 1a van de WED. Daarom hoefde domein II niet aangepast te worden. Het Openbaar Ministerie had verzocht om ook BOA’s domein IV te belasten met de opsporing van het landelijke vuurwerkverbod, maar daar heeft het Ministerie geen invulling aan gegeven.