Met enige regelmaat bereiken ons vragen van BOA’s voor wie niet duidelijk is welke opsporingsbevoegdheid ze nu precies hebben.
De Circulaire BOA zegt daarover in onderdeel 3.1 het volgende:
De domeinen bevatten maximale opsporingspakketten. De BOA in bezoldigde dienst kan formeel beschikken over alle opsporingsbevoegdheden binnen het betreffende domein. Met het oog op nut en noodzaak wordt er echter van uitgegaan dat de BOA-werkgever het pakket aan opsporingsbevoegdheden koppelt aan de taakomschrijving van zijn BOA’s. Het gebruik van opsporingsbevoegdheden dient immers altijd gekoppeld te zijn aan de vervulling van de aan de functie gerelateerde taken. Daarom dient de BOA-werkgever middels het aanvraagformulier de taakomschrijving te beschrijven en daarbij de gewenste opsporingsbevoegdheden binnen een domein aan te kruisen.
Op het aanvraagformulier moeten de nummers worden ingevuld van wetten
uit de domeinlijst, waarvoor de BOA opsporingsbevoegdheid moet krijgen.
Let er bij domein II (Milieu, welzijn en infrastructuur) op, dat alle
wetten met nummer 10 en hoger één plaats zijn opgeschoven, omdat onder
nummer 10 een nieuwe wet is ingevoegd! Dit kan al consequenties hebben
voor tot nu toe verleende opsporingsbevoegdheden.
Verder zegt de circulaire over het aanwenden van de bevoegdheden:
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de BOA bevoegdheden aanwendt
welke vallen buiten zijn taakomschrijving. De enige uitzondering hierbij
vormen de toegevoegde strafrechtartikelen waarvoor de BOA een
proces-verbaal van bevindingen kan opmaken indien hij wordt
geconfronteerd met agressie en geweld tijdens de uitvoering van zijn
taken. Indien een BOA gaat handhaven op feiten welke buiten zijn
taakomschrijving vallen, dient in eerste instantie de BOA-werkgever de BOA hier op aan te spreken. In overleg met de direct toezichthouder en
eventueel de toezichthouder kan worden bepaald hoe een en ander verder
wordt afgehandeld.
De taakomschrijving is dus bepalend voor de opsporingsbevoegdheid van de
BOA. Daarnaast hebben alle BOA’s de bevoegdheid om ter zake de
misdrijven uit het zogenoemde beschermingspakket een proces-verbaal van
bevindingen op te maken.
|